86 ton goud.
De Nederlandse centrale bank heeft een aanzienlijk deel van haar goudreserves in Noord-Amerika verplaatst naar Londen.
Het aandeel van het Nederlandse goud in New York daalt hierdoor van 31,3 naar 18,5 procent.
Ottawa: van 19,7 naar 18,5 procent.
Londen stijgt daarentegen van 18,1 naar 32,1 procent en wordt daarmee de grootste individuele opslaglocatie van het Nederlandse centralebankgoud.
Dat alleen al zou opmerkelijk zijn.
Nog interessanter is echter de officiële reden.
De Nederlandse centrale bank spreekt van toenemende geopolitieke onrust, van crisispreventie – en bestempelt goud uitdrukkelijk als een „vertrouwensanker“ ter afdekking van extreme systeemrisico's.
Dat is een opmerkelijk duidelijke beschrijving van waarom centrale banken in het jaar 2026 goud aanhouden.
Zo eenvoudig was de operatie niet.
De DNB beschikte eind 2025 over in totaal 612,4 ton goud met een toenmalige waarde van 72,2 miljard euro.
Daarvan lag vóór de herschikking bijna 313 ton in de VS en Canada.
Tussen maart en augustus werd daarvan rond 86 ton verplaatst ten gunste van Londen.
Maar slechts een deel daarvan werd fysiek over de Atlantische Oceaan vervoerd.
Ongeveer 59 ton goud werd in New York verkocht en een overeenkomstige hoeveelheid goud werd in Londen gekocht.
Meer dan 27 ton werd daadwerkelijk vanuit Noord-Amerika naar het Nederlandse Zeist gebracht. Tegelijkertijd transfereerde de DNB een overeenkomstige hoeveelheid goud die al in Zeist aanwezig was naar Londen.
Waarom deze moeite?
Omdat niet elke historische goudbaar in gelijke mate geschikt is voor de moderne internationale goudhandel.
Goud bij de Bank of England voldoet aan de internationale handelsnormen en kan volgens de DNB in geval van crisis bijzonder snel worden ingezet.
Het ging er dus niet om minder goud te bezitten.
Nederland bezit na de operatie exact evenveel als voorheen.
Het ging erom waar het goud ligt – en hoe snel erover beschikt kan worden.
Dat lijkt op het eerste gezicht paradoxaal.
Als een centrale bank herschikt vanwege geopolitieke risico's, zou men kunnen verwachten dat zij haar goud volledig naar het eigen land haalt.
Dat is precies wat Nederland niet doet.
Het aandeel in Zeist blijft onveranderd op 30,8 procent.
In plaats daarvan wordt Londen met 32,1 procent de belangrijkste opslaglocatie.
De reden is de bijzondere positie van Londen als internationale handelsplaats voor fysiek goud.
De DNB streeft hiermee twee doelen tegelijkertijd na:
Veiligheid door geografische diversificatie en liquiditeit door onmiddellijke toegang tot de goudmarkt.
Dat is reservebeleid – geen schatkamerromantiek.
Bijzonder opmerkelijk is de woordkeuze van de centrale bank.
De DNB verklaart dat een grotere goudvoorraad in Londen de functie van goud als „anchor of trust“ versterkt.
Nog duidelijker:
Goud is bijzonder geschikt voor de afdekking van extreme systeemrisico's.
Dat is interessant, omdat centrale banken goud hiermee juist niet als een normale grondstof behandelen.
Goud keert geen rente uit.
Goud produceert geen cashflow.
Goud is geen onderneming.
En toch houden centrale banken wereldwijd enorme hoeveelheden aan.
Waarom?
Omdat fysiek goud een eigenschap bezit die een staatsobligatie, banktegoed of andere vordering niet bezit:
Het is geen vordering op een schuldenaar.
De Nederlandse beslissing past in een grotere trend.
In de centrale bank-enquête 2026 van de World Gold Council verwacht 89 procent van de ondervraagde reservebeheerders dat de wereldwijde goudvoorraden van centrale banken in de komende twaalf maanden verder zullen stijgen.
Een recordhoogte van 45 procent verwacht zelfs dat hun eigen instelling goud zal bij kopen.
En niet alleen de hoeveelheid wordt opnieuw geëvalueerd.
Ook de opslag.
Tien procent van de ondervraagde centrale banken gaf aan hun buitenlandse opslaglocaties het afgelopen jaar sterker te hebben gediversifieerd. Nog eens negen procent is dit van plan voor de komende twaalf maanden.
De Bank of England is daarbij de populairste opslaglocatie.
Nederland is daarmee geen geïsoleerd incident.
Het is een bijzonder illustratief voorbeeld van een verandering in het denken van reservebeheerders.
Hier wordt het verhaal bijzonder interessant.
Duitsland beschikt over ongeveer 3.350 ton goud en daarmee over de op één na grootste staatshouding aan goud ter wereld.
De Bundesbank had al tussen 2013 en 2017 in totaal 300 ton goud uit New York en 374 ton uit Parijs naar Frankfurt verplaatst.
Na afronding van dit programma lag ongeveer 50 procent in Frankfurt, ongeveer 37 procent in New York en ongeveer 13 procent bij de Bank of England.
De Bundesbank motiveert de buitenlandse bewaring van oudsher ook met de verhandelbaarheid: goud in New York of Londen kan in geval van crisis gemakkelijker worden geruild voor internationale reservevaluta.
De Nederlandse beslissing roept daarom een interessante vraag op:
Is de huidige verdeling van de Duitse goudreserves, gezien de veranderde geopolitieke risico's, nog wel optimaal?
Daarop is geen dwingend antwoord.
Maar de vraag is legitiem.
Het beeld wordt nog groter als we niet naar individuele centrale banken kijken, maar naar de wereldwijde reserves.
Volgens het laatste rapport van de Europese Centrale Bank maakte goud eind 2025 tegen marktprijzen ongeveer 27 procent van de wereldwijde officiële reserves uit.
Amerikaanse staatsobligaties: 22 procent.
Euro: 15 procent.
Ook bij dit cijfer is echter een belangrijke kanttekening nodig:
Een aanzienlijk deel van het gestegen goudaandeel is ontstaan door de sterke prijsstijging van het edelmetaal.
Centrale banken hebben dus niet simpelweg massaal dollars en euro's verkocht en alles in goud omgezet.
Toch is de richting opmerkelijk.
De 86 ton vertelt daarom een groter verhaal.
Niet:
Goud wordt naar Londen gebracht omdat de prijs daar hoger is.
En ook niet:
Nederland ontvlucht de dollar.
Sinds:
Een hoogontwikkelde westerse centrale bank onderzoekt in een geopolitiek onzekere wereld waar haar fysieke goud ligt, hoe snel ze er toegang toe heeft en hoe het in een zware crisis kan worden ingezet.
Precies daarin ligt de eigenlijke functie van strategische reserves.
Voor particuliere beleggers is de omvang natuurlijk van een heel andere orde.
Het basisprincipe is echter opmerkelijk vergelijkbaar:
Bij fysiek goud gaat het niet uitsluitend om hoeveel men ervan bezit.
Het gaat er ook om,
waar het ligt, wie men bij de bewaring moet vertrouwen en of men op het beslissende moment daadwerkelijk erover kan beschikken.
De Nederlandse centrale bank heeft zojuist 86 ton goud precies vanuit deze gezichtspunten gereorganiseerd.
Misschien is dat wel belangrijker nieuws dan elke dagelijkse beweging van de goudprijs.
Blijf vooruitkijken.
Uw Helge Peter Ippensen