

54,3 euro per troy ounce zilver en rond 3.634 euro per troy ounce goud: Dat waren de edelmetaalprijzen op 6 juli 2026 rond 11 uur. Daarmee blijft de blik op historische zilveren munten bijzonder verhelderend. Want wat vroeger als circulatiegeld door de handen ging, bezit vandaag de dag deels weer een duidelijk berekenbare materiaalwaarde. De actuele zilverprijs lag, afhankelijk van de koersbron, rond de 54,1 tot 54,4 euro per troy ounce, de goudprijs rond de 3.634 euro per troy ounce.
Vier Duitse munten uit de jaren 1914, 1924, 1934 en 1972 vertellen op het eerste gezicht een eenvoudig verhaal. De 1 Mark-munt van 1914 bestond uit 900/1000 zilver. De 1 Mark-munt van 1924 bevatte nog 500/1000 zilver. De 1 Reichsmark-munt van 1934 werd geslagen uit nikkel. De 1 DM-munt van 1972 bestond uit een koper-nikkel-legering. Wie deze reeks bekijkt, ziet schijnbaar de weg van edelmetaal naar onedel metaal.
Doch precies hier begint het cruciale verschil. De muntenreeks is een krachtig beeld voor de verandering van het geldsysteem. Het is echter geen zuiver bewijs voor een honderdvoudige geldontwaarding. Daarvoor worden metaalwaarde, koopkracht, nominale waarde en verschillende monetaire stelsels met elkaar vermengd.
De zilveren 1 Mark-munten van het Keizerrijk werden geslagen met een brutogewicht van ongeveer 5,56 gram en een gehalte van 900 duizendsten. Dit resulteert in een fijnzilvergehalte van ongeveer vijf gram. Voor de 1 Mark-munt van 1924 wordt een totaalgewicht van vijf gram en 500/1000 zilver genoemd, dus ongeveer 2,5 gram fijnzilver. De 1 Reichsmark-munt van de jaren 1933 tot 1939 bestond uit nikkel en woog 4,85 gram. De 1 DM-munt van de Bondsrepubliek bestond volgens de Bundesbank uit een koper-nikkel-legering met 75 procent koper en 25 procent nikkel bij een gewicht van 5,50 gram.
| Munt | Materiaal | Fijnzilver | Berekende zilverwaarde op 6 juli 2026 | Koopkrachtequivalent volgens Bundesbank, basis 2025 |
|---|---|---|---|---|
| 1 Mark 1914 | 900 zilver, ca. 5,56 g | ca. 5,00 g | ca. 8,73 euro | ca. 6,60 euro |
| 1 Mark 1924 | 500 zilver, 5,00 g | ca. 2,50 g | ca. 4,36 euro | ca. 5,10 euro |
| 1 Reichsmark 1934 | Nikkel, 4,85 g | geen zilver | geen zilverwaarde | ca. 5,50 euro |
| 1 Deutsche Mark 1972 | Koper-nikkel, 5,50 g | geen zilver | geen zilverwaarde | ca. 1,95 euro |
De tabel toont de kern van het onderwerp. Het stuk uit 1914 bevat vandaag de dag bij de actuele zilverprijs een berekende zilverwaarde van ongeveer 8,73 euro. De 1 Mark-munt van 1924 komt uit op ongeveer 4,36 euro. Bij de latere stukken is er geen zilverwaarde meer. Toch betekent dit niet dat deze munten historisch „waardeloos“ waren. Hun toenmalige geldwaarde lag niet in het metaal, maar in de respectievelijke monetaire orde.
De Mark van het Keizerrijk, de Reichsmark na de hyperinflatie en de Deutsche Mark na 1948 waren geen doorlopend identieke geldeenheden. Ze stonden voor verschillende staten, verschillende geldwetten en verschillende economische realiteiten.
Tot 31 juli 1914 gold voor de Mark van het Keizerrijk een goudpariteit. De Bundesbank wijst erop dat één Mark tot juli 1914 rekenkundig overeenkwam met de tegenwaarde van 1/2790 kilogram fijngoud. Met het begin van de Eerste Wereldoorlog werd deze pariteit feitelijk opgeheven. De daaropvolgende inflatie, de staatsfinanciering via schulden en de hyperinflatie van 1923 leidden uiteindelijk tot een nieuwe monetaire orde.
De Reichsmark vanaf 1924 was daarom geen eenvoudige voortzetting van de oude Papiermark. Een volgende fundamentele cesuur volgde in 1948 met de invoering van de Deutsche Mark. Wie dus een Mark uit 1914 vergelijkt met een D-Mark uit 1972, vergelijkt niet alleen munten. Hij vergelijkt meerdere geldsystemen.
De materiaalwaarde van een munt is gemakkelijk te begrijpen. Men neemt het aanwezige edelmetaal, vermenigvuldigt dit met de actuele koers en verkrijgt een berekende waarde. Koopkracht is aanzienlijk complexer. Het beschrijft hoeveel goederen en diensten men op een bepaald moment voor een geldbedrag kon kopen.
De Bundesbank berekent koopkrachtequivalente historische bedragen in Duitse valuta. Volgens deze berekeningen kwam de koopkracht van een Mark uit 1914 in het gemiddelde van het jaar 2025 overeen met ongeveer 6,60 euro. Een Reichsmark uit 1924 kwam overeen met ongeveer 5,10 euro, een Reichsmark uit 1934 met ongeveer 5,50 euro en een D-Mark uit 1972 met ongeveer 1,95 euro. Tegelijkertijd wijst de Bundesbank bij ver in het verleden liggende perioden en crisisjaren uitdrukkelijk op onzekerheden.
Het resultaat is verhelderend. De nikkelen munt uit 1934 bevatte geen zilver, maar had volgens deze historische benadering een vergelijkbare koopkracht als de zilverhoudende munt uit 1924. De reden is simpel: moderne circulatiemunten zijn pasmunten. Hun materiaalwaarde ligt bewust onder de nominale waarde. Doorslaggevend is niet het metaal, maar de acceptatie van het betaalmiddel in het betreffende geldsysteem.
Zilverhoudende circulatiemunten worden problematisch voor staten zodra hun metaalwaarde sterk stijgt. Dan ontstaat er een prikkel om de munten te potten, om te smelten of uit het betalingsverkeer te halen. Het dagelijks leven heeft echter munten nodig die betrouwbaar circuleren.
Daarom hebben veel staten edelmetalen stapsgewijs uit het normale muntgeld verwijderd. Dat was niet alleen een teken van ontwaarding, maar ook een gevolg van moderne geldorganisatie. De waarde van een circulatiemunt moest niet langer afhangen van de metaalprijs, maar van de staatsgarantie en de stabiliteit van de valuta.
Deze ontwikkeling maakt edelmetalen echter niet betekenisloos. Integendeel: juist omdat moderne valuta niet meer aan goud of zilver gebonden zijn, blijft het verschil tussen geld en reële activa belangrijk. Goud en zilver zijn geen vordering op een bank. Het zijn fysieke goederen met een eigen marktprijs. Tegelijkertijd schommelen hun prijzen en keren ze geen rente uit.
De recente inflatiecijfers laten zien waarom het thema actueel blijft. Voor juni 2026 meldde het Statistisches Bundesamt voorlopig een inflatiepercentage van 2,3 procent ten opzichte van dezelfde maand het jaar ervoor. Ten opzichte van mei 2026 daalden de consumentenprijzen voorlopig met 0,3 procent. De kerninflatie zonder voeding en energie lag op 2,5 procent. Diensten werden 3,1 procent duurder, energie 3,4 procent en voedingsmiddelen 0,4 procent. De definitieve gegevens worden naar verwachting op 10 juli 2026 gepubliceerd.
Ook de rentekant hoort bij het plaatje. De Europese Centrale Bank verhoogde de drie beleidsrentes in juni 2026 met 25 basispunten. Sinds 17 juni 2026 ligt de depositorente op 2,25 procent, de basisrefinancieringsrente op 2,40 procent en de marginale beleningsrente op 2,65 procent.
Daarmee blijft voor beleggers de cruciale vraag: behoudt het nominale rendement de reële koopkracht? Een rentepercentage kan aantrekkelijk lijken, maar na inflatie, belastingen en kosten blijft er vaak een ander beeld over. Precies hier ligt de eigenlijke les van de historische munten. Koopkrachtverlies zie je niet alleen aan metaallegeringen. Je voelt het aan wat je voor hetzelfde geldbedrag daadwerkelijk nog kunt kopen.
De vier munten zijn geen perfecte rekenformule. Ze zijn een historisch signaal. Ze laten zien dat monetaire stelsels kunnen veranderen. Ze laten zien dat de materiaalwaarde van een munt kan verdwijnen. En ze laten zien dat koopkracht niet automatisch zichtbaar is.
Voor fysieke edelmetalen pleit daarom niet het idee om elke crisis exact af te dekken. Doorslaggevend is de rol als reële activa-bouwsteen. Goud en zilver kunnen op de lange termijn een tegenwicht vormen voor puur nominale geldwaarden. Ze vervangen echter geen liquiditeitsreserve, geen diversificatie en geen individuele vermogensplanning. Deze bijdrage dient ter informatie en is geen beleggingsadvies.
De vier Mark-munten leveren een krachtig beeld. Van vijf gram zilver via tweeënhalf gram zilver naar nikkel en koper-nikkel wordt de verandering van het geld zichtbaar. Doch de vaak getrokken conclusie van een eenvoudige honderdvoudige ontwaarding is te kort door de bocht.
Correct is: De munten tonen de overgang van metaalhoudend circulatiegeld naar modern, door de staat geordend geld. Ze tonen echter niet alleen hoe sterk de koopkracht verloren ging. Daarvoor zijn historische prijsindexcijfers, valutahervormingen en een blik op de reële koopkracht nodig.
De precieze kernspreuk luidt: Metaal is zichtbaar – koopkracht is doorslaggevend.
Bij Spargold geldt daarbij een helder principe: er wordt uitsluitend fysiek aanwezig edelmetaal aangeboden. Want bij reële activa telt niet alleen de prijs op het scherm, maar ook de daadwerkelijke beschikbaarheid.
Blijf vooruitziend
Uw Helge Peter Ippensen