Er zijn historische beelden die in het collectieve geheugen gegrift staan.
Mensen duwen kruiwagens vol bankbiljetten door de straten. Gezinnen geven hun loon onmiddellijk uit, omdat het geld enkele uren later al minder waard is. Het spaargeld van een heel leven lost binnen de kortste keren op.
De hyperinflatie van 1923 wordt vaak gezien als een afgesloten hoofdstuk in de geschiedenis. De eigenlijke les daaruit is echter tijdloos:
Niet elke crisis vernietigt vermogen onmiddellijk.
Maar bijna elke grote inflatie vernietigt op een gegeven moment het vertrouwen.
Veel mensen definiëren vermogen tegenwoordig via rekeningsaldi, beleggingsrekeningen of digitale cijfers.
Dat oogt stabiel. Rationeel. Veilig.
Maar historisch gezien was geld zelf nooit automatisch veilig. Papieren valuta functioneren vooral omdat mensen vertrouwen hebben in hun stabiliteit. Wordt dit vertrouwen geschaad, dan verandert plotseling de perceptie van waarde.
Precies daarom wonnen reële activa in tijden van crisis vaak aan belang:
Vooral goud speelde daarbij telkens weer een bijzondere rol.
Goud heeft geen balans.
Geen kwartaalcijfers.
Geen bedrijfsstrategie.
En toch kopen centrale banken wereldwijd tot op de dag van vandaag op grote schaal goud.
Waarom?
Omdat goud eigenschappen bezit die moderne valuta niet volledig kunnen vervangen:
Goud is daarom minder een „investment“ in de klassieke zin. Voor veel mensen is het eerder een monetaire verzekering.
Een indekking tegen risico's die men niet exact kan voorspellen:
Natuurlijk is de huidige situatie niet zomaar te vergelijken met 1923.
Duitsland ervaart geen hyperinflatie zoals destijds. Toch zijn de randvoorwaarden in de afgelopen jaren aanzienlijk veranderd:
Tegelijkertijd groeit wereldwijd de vraag naar fysieke edelmetalen – zowel bij particuliere beleggers als bij centrale banken.
Dit duidt op een interessante ontwikkeling:
Veel mensen zoeken niet meer alleen rendement. Ze zoeken stabiliteit.
Inflatie werkt vaak niet spectaculair.
Het onteigent zelden van de ene op de andere dag.
Het werkt langzaam.
Jaar na jaar daalt de reële koopkracht. Activa worden duurder. De kosten van levensonderhoud stijgen. Geld verliest geleidelijk zijn kracht.
Het probleem:
Nominaal blijft veel hetzelfde.
100.000 euro blijft op de rekening in eerste instantie 100.000 euro.
Maar doorslaggevend is niet het getal zelf, maar wat men daar in de toekomst nog voor kan kopen.
Precies op dit punt begint voor veel mensen de interesse in reële activa.
Goud garandeert geen winst.
De prijs schommelt.
Ook goud kan over langere periodes dalen.
Maar historisch gezien blijkt telkens weer:
In fasen van monetaire onzekerheid wint fysiek bezit psychologisch en economisch aan belang.
Misschien ligt daarin de eigenlijke kracht van goud:
Niet maximaal rendement. Maar vertrouwen buiten het klassieke geldsysteem.
De geschiedenis van 1923 is meer dan een historische anekdote.
Het herinnert ons eraan dat vermogen niet alleen uit cijfers bestaat – maar uit reële koopkracht en vertrouwen.
En precies daarom houden veel mensen zich vandaag de dag weer bezig met de vraag:
Welke waarden blijven bestaan wanneer de economische randvoorwaarden veranderen?
Goud is daarop geen perfect antwoord.
Maar voor veel mensen al eeuwenlang een deel van het antwoord.
Blijf vooruitkijken
Uw Helge Peter Ippensen