

11 januari 2027.
Deze datum zou belangrijk kunnen worden voor banken in Zwitserland, Groot-Brittannië, de VS of Singapore, wanneer zij bepaalde diensten actief aanbieden aan klanten in de Europese Unie.
De reden hiervoor is de nieuwe Europese richtlijn kapitaalvereisten CRD VI.
Op sociale media circuleert inmiddels een aanzienlijk dramatischer bericht:
EU-burgers zouden in de toekomst praktisch geen rekeningen buiten de EU meer kunnen openen.
Klopt dat?
Nee – althans niet in deze algemeenheid.
De feitelijke regeling is desondanks interessant.
Met art. 21c CRD VI harmoniseert de EU de markttoegang van bepaalde ondernemingen uit derde landen.
Wanneer een betreffende onderneming uit een derde land bepaalde klassieke bankdiensten in een EU-lidstaat wil aanbieden, moet zij in principe een daar erkend bijkantoor oprichten.
In de kern gaat het met name om:
Deposito's en andere terugbetaalbare gelden,
Kredietverlening,
Garanties en verplichtingen.
Hiermee wordt het bijvoorbeeld voor een bank uit Singapore of Zwitserland moeilijker om bepaalde klassieke bankdiensten rechtstreeks en actief in Duitsland of andere EU-landen aan te bieden, zonder hier over de vereiste structuur en vergunning te beschikken.
Dat staat niet zo in de richtlijn.
Integendeel.
De CRD VI bevat een belangrijke uitzondering.
Wanneer een klant op eigen initiatief contact opneemt met een onderneming uit een derde land, kan de zogenaamde reverse-solicitation-uitzondering van toepassing zijn.
De richtlijn stelt in haar overwegingen bovendien uitdrukkelijk duidelijk dat het gebruik van bankdiensten buiten de Unie ongemoeid moet blijven.
Dat is een aanzienlijk verschil.
De EU verbiedt haar burgers dus niet in het algemeen om buiten de EU gebruik te maken van bankdiensten.
Zij reguleert veeleer onder welke voorwaarden ondernemingen uit derde landen bepaalde bankdiensten op de EU-markt mogen aanbieden.
Ook dat valt niet uit de richtlijn af te leiden.
Art. 21c lid 5 beschermt uitdrukkelijk bestaande contracten die vóór 11 juli 2026 zijn gesloten.
De regeling is bedoeld om de verworven rechten van klanten uit deze contracten te waarborgen.
Hoe individuele banken met hun Europese klanten zullen omgaan, is een andere vraag.
Regulatoire lasten kunnen er namelijk toe leiden dat een aanbieder bepaalde klantgroepen om economische redenen niet langer wil bedienen.
Dat zou dan echter een zakelijk gevolg van de regulering zijn – en geen wettelijk verbod op de buitenlandse rekening.
Men moet CRD VI daarom noch dramatiseren, noch bagatelliseren.
De EU verandert daadwerkelijk de voorwaarden voor grensoverschrijdende financiële diensten.
Het doel is een geharmoniseerd regulatoir kader en een sterker toezicht op banken uit derde landen die actief zijn op de Europese markt.
De EBA heeft hiervoor pas op 7 juli 2026 haar definitieve richtsnoeren voor de toelating van bijkantoren uit derde landen gepubliceerd.
Voor aanbieders betekent dit meer regulatoire vereisten.
Voor klanten kan het betekenen dat bepaalde buitenlandse banken hun aanbod voor EU-klanten heroverwegen.
Dat is een reële verandering.
Maar het is iets anders dan kapitaalcontroles.
Hier wordt het interessant voor beleggers.
Want een bankrekening en fysiek goud zijn juridisch en economisch twee totaal verschillende zaken.
Een banksaldo is een vordering op een bank.
De rekeninghouder bezit niet de concrete bankbiljetten die hij heeft gestort.
Hij bezit een vordering op de kredietinstelling.
Fysiek goud kan daarentegen direct eigendom van de klant zijn.
Doorslaggevend hierbij is de concrete juridische constructie.
Bij volledig toegewezen fysiek goud gaat het niet om een deposito, maar in principe om eigendom van een vermogensbestanddeel.
Precies dit onderscheid gaat in de huidige discussie verloren.
CRD VI reguleert bankdiensten.
Daaruit volgt niet automatisch dat een EU-burger in de toekomst geen fysiek goud in Zwitserland of Singapore zou mogen kopen en laten bewaren.
Ook een algemene plicht om vermogensbestanddelen binnen de Europese Unie aan te houden, bevat art. 21c niet.
Dat is voor de discussie over internationale vermogensdiversificatie een cruciaal verschil.
Omgekeerd zou het onjuist zijn om daaruit te concluderen dat fysiek goud buiten de EU in principe immuun is voor Europese regulering.
Doorslaggevend zijn altijd de concrete contractuele vormgeving, de aanbieder, betalingswegen, witwasvoorschriften, fiscale verplichtingen en de vraag welke diensten daadwerkelijk worden verleend.
Internationale diversificatie betekent daarom niet een gebrek aan regulering.
Het betekent in eerste instantie alleen:
Niet alle vermogensbestanddelen bevinden zich in hetzelfde juridische, monetaire en financiële systeem.
Het interessante verhaal is daarom niet:
„De EU verbiedt buitenlandse rekeningen.“
Dat zou te ver gaan.
Interessanter is de feitelijke ontwikkeling.
Europa trekt bij bepaalde financiële diensten uit derde landen een duidelijkere regulatoire grens.
Banken uit derde landen moeten beslissen of en hoe zij in de toekomst actief willen zijn op de Europese markt.
Voor beleggers ontstaat daarmee een belangrijk onderscheid:
Waar bevindt mijn vermogen zich?
Wat bezit ik juridisch gezien?
En op wie heb ik enkel een vordering?
Een euro op een bankrekening is een vordering op een bank.
Een staatsobligatie is een vordering op een staat.
Volledig toegewezen fysiek goud kan daarentegen direct eigendom zijn.
Dat maakt het ene niet automatisch beter dan het andere.
Maar het maakt ze fundamenteel verschillend.
De cruciale vraag is daarom niet alleen waar vermogen zich bevindt – maar in welke juridische vorm men het bezit.
Blijf vooruitziend
Uw Helge Peter Ippensen