In het weekend is een conflict geëscaleerd dat op het eerste gezicht op geopolitieke fictie lijkt, maar economisch zeer reëel zou kunnen worden: de Amerikaanse president Donald Trump heeft aangekondigd vanaf 1 februari 2026 nieuwe douanetarieven op te leggen aan Duitsland en andere Europese staten – uitdrukkelijk als machtsmiddel in het geschil over Groenland.
Voor Duitsland is dit meer dan een buitenlandse politieke voetnoot. Douanetarieven treffen immers niet alleen individuele bedrijven, maar kunnen ook toeleveringsketens, prijzen, wisselkoersen en het investeringsklimaat beïnvloeden. Juist in een omgeving waarin veel mensen zich toch al bezighouden met inflatie, renteonzekerheid en geopolitieke risico's, is een nuchtere blik op wat tot nu toe bekend is – en welke gevolgen aannemelijk zijn – de moeite waard.
Volgens eensluidende mediaberichten zullen vanaf 1 februari 2026 extra douanetarieven van 10 procent gelden voor alle goederen uit acht Europese landen, waaronder Duitsland, Denemarken, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Vanaf 1 juni 2026 zullen deze tarieven stijgen naar 25 procent – en wel net zo lang tot er een overeenkomst is die de VS in staat stelt Groenland te kopen.
Tegelijkertijd heeft de EU voor zondag 18 januari 2026 een crisisberaad bijeengeroepen. Er wordt melding gemaakt van een bijeenkomst van de ambassadeurs van alle 27 EU-lidstaten om een gezamenlijke lijn te bepalen.
Groenland is een autonoom gebied van het Koninkrijk Denemarken en strategisch gelegen in het Arctische gebied. In het debat spelen vooral veiligheids- en geopolitiek een rol: Arctische routes, militaire aanwezigheid, belangen in grondstoffen en het signaal aan bondgenoten. Trump rechtvaardigt de druk publiekelijk met nationale veiligheid en koppelt economische maatregelen rechtstreeks aan politieke doelen.
Precies deze koppeling maakt de situatie hachelijk voor de markten. Het verschuift douanetarieven namelijk van een klassiek handelsthema naar een instrument van geopolitieke "conditionaliteit": wie politiek niet meewerkt, wordt economisch belast.
| Tijdstip | Maatregel (aangekondigd) | Hoogte | Betrokken landen (genoemd) |
|---|---|---|---|
| vanaf 1 februari 2026 | Extra douanetarieven op goederenimport in de VS | 10 % | Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Nederland |
| vanaf 1 juni 2026 | Verhoging, indien geen "deal" over Groenland | 25 % | dezelfde groep landen |
Douanetarieven werken zelden "lineair". Zelfs als een deel van de last bij Amerikaanse importeurs terechtkomt, ontstaan er frictieverliezen: de vraag kan dalen, verkoopprijzen komen onder druk te staan of toeleveringsketens worden omgebouwd. Voor Duitse exporteurs is dit bijzonder relevant, omdat de Amerikaanse markt in veel industrieën als een markt met hoge marges wordt beschouwd.
Tegelijkertijd is het belangrijk om de omvang te nuanceren. De president van het Kiel Institut für Weltwirtschaft, Moritz Schularick, wordt in dit verband geciteerd met de inschatting dat slechts ongeveer 10 procent van de Duitse buitenlandse handel op de VS betrekking heeft en de effecten daarom "beheersbaar" zouden kunnen zijn – mits Europa eensgezind reageert.
Op korte termijn kunnen niettemin drie kanalen domineren: ten eerste de directe exportbelasting, ten tweede onzekerheid voor investeringen, en ten derde mogelijke tegenmaatregelen van de EU, die dan ook Amerikaanse bedrijven zouden treffen. Vanuit het oogpunt van de markt is vaak niet het eerste effect het grootste, maar de vertrouwensschok.
In Europa wordt op dit moment openlijk gesproken over tegenmaatregelen. Daarbij wordt bijzonder vaak het Anti-Coercion Instrument van de EU genoemd, een instrument tegen economische chantage dat sinds eind 2023 van kracht is. Het stelt de EU in staat om stapsgewijs te reageren wanneer derde landen economische druk uitoefenen om politieke besluiten af te dwingen.
Dat dit instrument tot nu toe nog nooit is toegepast, maakt de discussie extra pikant. Een activering zou immers een signaalwerking hebben: het zou laten zien dat Europa bereid is economische hefbomen in te zetten, zelfs tegen de nauwste partners, wanneer de politieke soevereiniteit in het geding is.
Wanneer handelsconflicten geopolitiek geladen zijn, zoeken markten vaak naar "neutralere" ankerpunten. Edelmetalen worden in het publieke debat dan vaker genoemd, omdat ze niet gebonden zijn aan de kredietwaardigheid van een staat en wereldwijd verhandelbaar blijven. Dit is geen garantie voor bepaalde prijsbewegingen, maar een terugkerend patroon in fasen van verhoogde onzekerheid.
Opvallend is dat de goudprijs op 18 januari 2026 in euro wordt genoteerd op ongeveer 3.962,87 EUR per troy ounce en in Amerikaanse dollar op ongeveer 4.596,34 USD per troy ounce. Tegelijkertijd noteert EUR/USD rond 1,1595. Wisselkoersen zijn hierbij belangrijk, omdat ze de perceptie van goud in de eurozone sterk medebepalen: zelfs bij een stabiele dollarprijs kan goud in euro stijgen als de euro ten opzichte van de dollar zwakker wordt – en omgekeerd.
Beslissend in de komende dagen zijn minder de krantenkoppen dan wel de concrete stappen. Of de aankondiging juridisch en administratief wordt uitgevoerd, welke productgroepen in de praktijk bijzonder getroffen zouden worden en of er uitzonderingen zijn, zal bepalend zijn voor de reële effecten. Evenzo belangrijk is het Europese antwoord: een gecoördineerde reactie vermindert het risico dat individuele landen "uit elkaar worden gespeeld" – en precies voor een neerwaartse spiraal heeft de EU-top al gewaarschuwd.
Voor particuliere financiële beslissingen geldt: wie zijn portefeuille robuust wil opbouwen, denkt in scenario's en correlaties in plaats van in weddenschappen op individuele gebeurtenissen. Handelsconflicten kunnen de groei temperen, prijzen vertekenen en de volatiliteit verhogen. In dergelijke fasen komen liquiditeit, diversificatie en de omgang met valutarisico's sterker op de voorgrond te staan – en daarmee ook de vraag welke rol reële activa spelen in het individuele risicoprofiel.
Blijf vooruitziend, uw Helge Peter Ippensen
