Stelt men zich al het zilver voor dat de mensheid ooit uit de aarde heeft gewonnen en giet men dit in één enkel lichaam, dan ontstaat er een kubus met een zijdelengte van ongeveer 54 meter.
Één enkel object.
Overzichtelijk.
Bijna rustgevend.
Toch bestaat deze kubus alleen in onze verbeelding.
In de realiteit is zilver niet geconcentreerd, maar wijdverspreid:
als munten en baren in kluizen, maar vooral in technische toepassingen – in elektronica, geneeskunde, zonne-energie, batterijen, waterzuivering en vele andere sectoren.
Een aanzienlijk deel van dit zilver is:
vast ingebouwd,
versleten door gebruik,
of alleen met grote technische en economische inspanning terug te winnen.
Zilver verdwijnt hiermee gedeeltelijk permanent uit de beschikbare voorraad.
Zilver neemt onder de edelmetalen een bijzondere rol in.
Het is waardedrager en industriële grondstof tegelijk.
Terwijl goud bijna uitsluitend wordt opgepot, wordt zilver verbruikt.
Het circuleert niet eindeloos – een deel ervan gaat verloren.
Precies daarin ligt het cruciale verschil.
De denkbeeldige zilveren kubus houdt ons een centrale waarheid voor:
De totale hoeveelheid gewonnen zilver lijkt groot.
De daadwerkelijk beschikbare hoeveelheid is dat niet.
Hoe intensiever zilver industrieel wordt gebruikt, hoe schaarser het deel wordt dat als fysieke belegging überhaupt nog beschikbaar is.
De zilveren kubus is geen argument, maar een denkmodel.
Het markeert het uitgangspunt voor een grotere vraag:
Wat betekent deze bijzondere schaarste voor zilver als fysieke belegging?
In de volgende bijdragen gaat het precies daarover –
en over de vraag waarom men zilver niet geïsoleerd moet bekijken, maar altijd in samenhang met gebruik, beschikbaarheid en andere reële activa.
